Wanneer het bij wereldoriëntatie gaat over dieren, hangen de meeste leerlingen wel aan je lippen. Daar willen ze meer over weten! Maar zodra de stof verschuift naar abstractere, natuurkundige onderwerpen als een stroomkring, daalt de leermotivatie al snel. ‘Wat heb ik hieraan?’ hoor je dan als leerkracht een stuk vaker. Hoe motiveer je je leerlingen voor een les als ze meteen vragen waarom ze iets moeten leren?
Erik Roosken is leerkracht op OBS Portland in Rhoon en herkent dit soms in zijn eigen klas. Ook hij merkt dat leerlingen bij vakken als Natuur & Techniek soms lastiger te motiveren zijn. Bij het idee dat kinderen van nature gemotiveerd zijn om te leren, dat motivatie altijd van binnenuit komt, heeft hij zijn twijfels: "Als dat zo was, dan zou mijn werk als leerkracht wel heel simpel zijn."
Nadat Erik zijn master Onderwijswetenschappen aan de Open Universiteit heeft behaald, vraagt zijn scriptiebegeleider of promotieonderzoek doen niet iets voor hem is. Niet veel later start hij met zijn promotieonderzoek naar het vergroten van de motivatie bij leerlingen. Op zoek naar manieren om zijn leerlingen meer te motiveren, komt hij op het spoor van zogenaamde utility-value interventions.
Met utility-value interventions sla je een brug tussen theorie en de echte wereld. Uit de onderwijspsychologie weten we dat leerlingen veel gemotiveerder zijn om iets te leren als ze er een persoonlijk belang van in kunnen zien. Dat hoeft niet eens per se voor hen zelf te zijn. Een arts die uitlegt waarom een bepaalde scheikundeles nuttig was voor de latere beroepspraktijk kan net zo goed motiverend werken.
Met deze interventies ontdekken leerlingen dus zelf wat zij of anderen in het dagelijks leven hebben aan specifieke kennis of vaardigheden. In plaats van dat jij als leerkracht uitlegt waarom iets belangrijk is, laat je de leerlingen dit zelf ervaren. In de klas kun je dit doen door bijvoorbeeld een gerichte opdracht te geven waarin ze antwoord geven op de vraag hoe ze de geleerde kennis praktisch kunnen gebruiken.
Bij een onderwerp van bijvoorbeeld aardrijkskunde of natuur & techniek lezen leerlingen korte, inspirerende quotes over het onderwerp.
Vervolgens formuleren ze hun eigen toepassing van deze kennis.
Ze voelen de waarde van de lesstof pas echt als ze die zelf ontdekken en opschrijven.
Erik vertelt dat er in het buitenland al veel onderzoek naar deze interventies is gedaan, vooral in het hoger onderwijs. Voor de basisschoolleeftijd bestonden er echter pas twee onderzoeken, uitgevoerd in de Verenigde Staten en Zuid-Korea. De resultaten daarvan waren veelbelovend, maar werkt het ook in andere situaties?
Op dit moment onderzoekt Erik als promovendus of dit ook opgaat voor de Nederlandse situatie. Voor dit in Europa unieke onderzoek wordt hij twee dagen per week uitgeroosterd op zijn school dankzij een speciale onderzoeksbeurs voor leerkrachten. Hij beseft dat er om een promotieonderzoek een zweem van hooggeleerdheid hangt, maar stelt gerust: "Een PhD klinkt misschien ingewikkeld, maar het onderwerp van mijn onderzoek en de interventies zelf zijn verrassend simpel."
Het mooie van deze aanpak is overigens ook dat je er direct een rijk taalgebruik mee stimuleert. Omdat het eenvoudig in bestaande lessen verwerkt kan worden, zorgt het niet voor meer werkdruk of veel extra voorbereidingstijd voor jou als leerkracht. Tegelijkertijd tilt het de les wel direct van droge kennisreproductie naar kritisch nadenken, eigenaarschap en inhoudelijke verdieping. Zo creëer je hiermee echt betekenisvol onderwijs. Leerlingen ontdekken wat het nut is van bepaalde kennis en vaardigheden.
"Een PhD klinkt misschien ingewikkeld, maar het onderwerp van mijn onderzoek en de interventies zelf zijn verrassend simpel."
Dit schooljaar start een experiment waarbij Erik deze interventies heeft ingebouwd in de lessen wereldoriëntatie. Daarmee nadert het onderzoek zijn afrondende fase. Voor het experiment heeft hij aanpassingen gemaakt in een tweetal thema’s van wereldoriëntatie voor groep 7 en 8. Hij gebruikt hiervoor de methode Faqta Wereld. “Op mijn school werken we al jaren met Faqta. Ik zag hierin mogelijkheden. Ook omdat Faqta bij het ontwikkelen van methodes kijkt naar wat wetenschappelijk bewezen effectief is.
De afgelopen maanden heeft Erik in samenwerking met Faqta een aantal lessen voor groep 7 en 8 aangepast waar in het schooljaar 2026-2027 twaalf scholen mee gaan werken.
Zowel voorafgaand als na afloop van de thema's vullen leerlingen een korte vragenlijst in. Faqta verzamelt al deze data, wat het proces voor Erik een stuk efficiënter maakt.
Eriks eigen school doet overigens niet mee aan het experiment. Dat kan niet omdat dat dan de onafhankelijkheid van het onderzoek mogelijk in het geding zou komen. “We werken overigens wel met de aangepaste thema’s op mijn school, maar dan een periode eerder dan het op de normale planning staat.” Dat heeft een praktische reden: “We doen een pilot voor het experiment. Er zijn in de lessen en op het leerplatform van Faqta aanpassingen gedaan. We willen natuurlijk wel weten of het goed in elkaar zet voordat het experiment echt van start gaat.
Aan het eind van het schooljaar hoopt Erik de eerste resultaten te kunnen delen met de deelnemende scholen en Faqta. Hoewel hij vertrouwen heeft in een positief effect, blijft hij nuchter. En mocht er geen effect gemeten worden, dan biedt ook dat waardevolle inzichten voor de onderwijspraktijk. “Dan zal ik moeten gaan kijken waarom het niet werkt.”
Daarna volgt het schrijven en publiceren van een wetenschappelijk artikel over het onderzoek. Dat proces kan zomaar tot 2028 duren. Toch hoeven scholen daar niet op te wachten. De interventies zijn immers verrassend eenvoudig toe te passen. Overigens moeten ze wel gedoseerd worden ingevoerd. “Voor een vak als geschiedenis of lezen, heeft het niet zoveel zin. En het hoeft ook niet elke les.” Leerlingen gaan dan het patroon herkennen: “Het wordt meer van hetzelfde en vervolgens verliezen de interventies aan kracht.” Erik realiseert zich dat zijn onderzoek niet direct een revolutie in het onderwijs zal betekenen: "Maar als het werkt, zal ik Faqta zeker aanraden om het in hun methodes toe te passen.”